De Bijbel
I
n de Bijbel stuurt God mensen op weg. Met een duidelijke missie (een opdracht), met een heldere boodschap, naar een specifieke plek, naar een bepaald volk. Voorbeelden hiervan zijn:
– Abraham. ‘Ga op weg naar het land dat Ik je zal wijzen.’1 En Abraham ging, in gehoorzaamheid en vertrouwen. Hij liet bezit en familie achter en vertrok, op weg naar het onbekende land.
– Mozes. Hij kreeg een soortgelijke opdracht. Maar hij moest en passant nog wel een heel volk meenemen.
– Jona. Hij werd gestuurd naar een volk buiten zijn eigen grondgebied.
– Jesaja. Hier lijkt het alsof God problemen had om iemand te vinden. In zijn gesprek met Jesaja was de vraag: ‘Wie zal Ik zenden, wie zal voor Mij gaan?’2
– Jezus. Hij is het ultieme voorbeeld. Hij was door God gezonden met een boodschap, sterker: Hij wás de boodschap. In al deze situaties had God één ding voor ogen: het heil voor de mensen. Abraham zou tot zegen zijn voor alle volken.3 Israël moest Gods heil laten zien aan alle volken. Jona had een boodschap tot behoud van een grote stad.4 Jezus kwam en stierf voor de zonde van de wereld, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat.5
In het Nieuwe Testament zien we dat Jezus zijn discipelen uitstuurt met de opdracht:6 ‘Ga heen, predik het evangelie aan alle volken.’ Dat wordt herhaald in de brief aan de Romeinen,7 waar staat dat ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.