E
en groep kinderen heeft zich verzameld op een braakliggend veld. Ze zijn vijf, zes, zeven jaar oud. Sommigen hebben dikke stokken meegebracht, anderen lege plastic flessen en weer iemand anders iets wat voor een bal moet doorgaan. Ze spelen honkbal: joelend, schreeuwend, lachend. Het zou een scène kunnen zijn bij mij uit de straat, een jaar of twintig geleden, toen we met alle kinderen uit de buurt bij elkaar kwamen om oorlogje te spelen, hutten te bouwen of te voetballen. De energie, de levenslust en ja, de herrie, waren ongetwijfeld hetzelfde. Maar dit is anders: er klinken sirenes en er komen motoragenten de hoek om. Direct laten de jochies alles vallen. Over pijpleidingen, containers en dozen vluchten ze de sloppenwijken van Mumbai in. Om vervolgens door hun moeders te worden toegesproken en meegetrokken naar het klaslokaal. Dat is dan weer hetzelfde.
De film waar deze scène in voorkomt, was de grote winnaar bij de Oscars van dit jaar, Slumdog Millionaire, een film van de Britse regisseur Danny Boyle, die met acht van die gouden standbeeldjes naar huis ging. Daaruit valt al af te leiden dat het met de kwaliteit voor en achter de camera wel goed zit. Flitsende beelden, energieke muziek, goede acteurs en een echt wel spannende verhaalstructuur. En een eindaftiteling compleet met Bollywoodachtige dansscènes, die in elk geval bij mij een glimlach op mijn gezicht toverde.
Jamal, een theejongen bij een call center, bereikt de finale van de Indiase versie van Weekend Millionairs.