Geen vreemdelingen
W
at dat vreemdelingschap betreft kunnen we in elk geval vaststellen dat dat een voluit nieuwtestamentisch begrip is. In de eerste plaats in negatieve zin; Efeziërs 2:19 zegt dat wij géén ‘vreemdelingen en bijwoners’ meer zijn. Maar daar gaat het erom dat wij, niet-Joodse gelovigen, vroeger ‘vreemd’ waren ‘aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte’ (vers 12). Dat is nu niet meer zo: we hebben op grond van het werk van Christus deel gekregen aan de beloften die God aan Abraham gedaan heeft en aan het Abrahamitische c.q. het nieuwe verbond (Galaten 3:14,29).
De uitdrukking ‘vreemdelingen en bijwoners’ knoopt aan bij het Oude Testament. De niet-Israëliet die tussen de Israëlieten woonde was een ‘vreemdeling’ en ‘bijwoner’ (Leviticus 25:35,47; Numeri 35:15), en Abraham in Kanaän was het eveneens (Genesis 23:4). Maar het bijzondere is dat in Leviticus 25 ook de Israëlieten zélf ‘vreemdelingen en bijwoners’ worden genoemd: ‘het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij’ (vers 23). ‘Voorwaar, wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen’ (1 Kronieken 29:15; vgl. ook Psalm 39:13). Hier gaat het niet om de heidenen, maar om Israël zelf, dat in zekere zin altijd ‘vreemdeling’ in het land blijft, omdat het land nooit van Israël zelf is, maar van de Here God; het volk mag alleen bij God ‘logeren’.