F
ilius Evae (wat betekent ‘zoon van Eva’) is een jonge monnik en wijdt zich dag in dag uit aan de Heer en aan het kloosterleven. Zijn doel? In heiligheid leven en geheiligd worden door het leven in rust en stilte door te brengen in dienst van de Heer. Filius echter wordt ‘rijp en groot’ en verlangt ernaar om meer van de wereld buiten het klooster te leren. Hij stort zich in een studie van Aristoteles en Plato. Een verlangen groeit om meer te weten van wat er in de wereld gebeurt. Een verlangen naar de schepping, de natuur, de liefde. Dit verlangen wakkert het gevoel van eenzaamheid aan en het duurt niet lang of Filius voelt zich genoodzaakt het klooster te verlaten en de wereld in te gaan.
Zijn reis, die start in zijn geliefde geboortestad Amsterdam, brengt hem langs vele plekken die hij uitgebreid beschrijft in dit gedicht. De Rijn, de Alpen, Tirol, het Lago di Garda, Florence... Zonder enige voorbereiding stapt hij de wereld in en levert zich over aan de voorzienigheid van God. Zo belandt hij op de meest bijzondere plekken om de nacht door te brengen: een boerderij, het klooster van de Dolomieten, een hotel, een rozenkwekerij. Hij ontmoet verschillende mensen: kloosterlingen, boeren en boerinnen, een dienstmeisje. Zijn reis wordt ingekleurd door alles wat hij ziet en meemaakt.
Het verlangen om eropuit te gaan
Filius omschrijft het reizen als het schoonste geschenk van God. De schoonheid zit hem in de begroeting van het onbekende. Ga eropuit, voordat je te lang blijft hangen in de warme schoot van het geluk. Het lijkt erop dat de warme schoot van geluk zijn warmte verliest als er geen beweging, geen vernieuwing in zit. Filius wilde op reis gaan, ‘om de zeeën op te gaan, om fier en onbevreesd het schoonste te vinden’. Ik proef hierin een sterk verlangen naar avontuur, op zoek naar het onbekende. Filius is eraan toe om ervaring in de wereld op te doen, alsof hij door die nieuwe ervaringen meer tot leven komt. Zijn leven in het klooster, in de cel, benauwde hem en maakte hem als persoon meer dood dan levend. Hij kreeg meer vragen over het leven, over waarheid en wijsheid. Maar er leek geen ruimte te zijn voor het stellen van de vragen die er in hem leefden. Deze jonge knaap kwam vast te zitten in de stilte van het kloosterbestaan. Het is alsof hij zijn passie verloor, om zijn leven voor God door te brengen in het klooster. Hij moest op zoek gaan. De vragen die hij had moesten gesteld worden. Hij ging op zoek, op zoek naar de antwoorden.
Afscheid nemen van het oude bekende
Aangezien Filius een zeer eenvoudig en gesloten leven heeft gehad tot nu toe, valt het afscheid hem zwaar. Hij neemt er de tijd voor, door terug te gaan naar zijn geboortestad Amsterdam en vanaf daar zijn reis te beginnen. Het is alsof alles wat zo bekend voor hem is ineens extra veel voor hem betekent. Het bekende land laat hij achter; alles wat zo gewoon en vanzelfsprekend is, laat hij thuis. Het vaarwel van de gewone en soms zelfs saaie dingen maakt deze dingen juist extra mooi.
Misschien herken je dit ook als je terugdenkt aan een van je eigen ervaringen in het leven, of het nu om reizen gaat of om een grote verandering die je hebt meegemaakt. Afstand nemen van dat wat er in je leven zo gewoon is geworden, maakt de waarde ervan duidelijk. Door het gemis komt de schoonheid ervan naar voren.
Het nieuwe verwelkomen
En dan... op reis. De wereld tegemoet. Filius stort zich met een enorme overgave in deze tocht, op zoek naar het onbekende. Hij omarmt iedere dag als een nieuwe kans om nieuwe plaatsen te ontdekken, nieuwe schoonheid te zien, nieuwe mensen te ontmoeten en nieuwe kennis op te doen. Hij schroomt niet om zijn gevoelens van gemis, angst, maar ook intens geluk, verlangen en liefde te benoemen. De nachten zijn zwaar, want juist in het donker overvalt de eenzaamheid hem. Maar de nieuwe dag met zijn gouden morgenstond
Ik heb regelmatig mijn wenkbrauwen opgehaald bij de keuzes die Filius maakte, vaak op basis van zijn aardse verlangens.
geeft genoeg energie om weer op pad te gaan en de weg te vervolgen.
Als pelgrim door het leven
Een pelgrimstocht, of die nu naar Rome, Santiago of elders leidt, is een levensreis op zich. Filius maakt tijdens zijn tocht veel mee. Hij loopt van dorp naar stad, ontmoet een grote diversiteit aan mensen. Deze ervaringen zetten hem aan het denken. Hij ontwikkelt zich in een rap tempo door alle ervaringen die hij opdoet. Deze reis zorgt ervoor dat hij gevormd wordt door wat hij meemaakt.
Met God op pad
God is een vaste basis voor Filius en een terugkerend element in zijn reisbeschrijving. Filius heeft al op jonge leeftijd zijn leven als kloosterbroeder toegewijd aan God. Het intrigeert me dat dit kloosterleven uiteindelijk voor hem dus niet ‘zaligmakend’ is, het frustreert hem op den duur zo erg dat hij wel móét breken met dit eenvoudige en op God gerichte leven, om zo de geheimen van de wereld te ontdekken. Het niet-in-de-wereld-leven maakt het verlangen naar die wereld zo groot, dat hij op zoek moet gaan. Hij moet het zelf ontdekken.
En hoewel Filius zich losmaakt van het kloosterleven, laat hij God niet achter zich.
Tijdens zijn reis is God regelmatig onderwerp van ‘gesprek’. Zo verwondert hij zich meer en meer over de schepping van Gods hand. De natuur, die hij in dit gedicht meesterlijk beschrijft, laat de schoonheid van Gods scheppende hand zien.
‘Zonder Hem roert visch noch gepluimte, noch de mensen ooit vleugel of vin. Dieper en met andere ogen zie ik de bloeiende natuur: alles, door een blos overtogen, dient zich aan als Zijn creatuur.’
Het is alsof God Zich openbaart in de kleinste details van de schepping. Ook in de eenzaamheid, die Filius vooral ’s nachts ervaart, is God nabij. En in de ochtend, bij het gloren van de nieuwe dag, is het alsof de palm van Gods hand hem vasthoudt.
Door op onderzoek uit te gaan ervaart Filius God op nieuwe manieren. Hij leert God als het ware opnieuw kennen. Het durven loslaten van zijn eenvoudige, toegewijde en vooral bekende leven in het klooster, levert hem uiteindelijk nieuwe inzichten over zichzelf en over God op.
Jezus Christus heeft eigenlijk geen prominente aanwezigheid in dit verhaal, je zult Hem niet tegenkomen. Althans, niet bij zijn naam genoemd. Toch, als je goed zoekt kun je Jezus terugvinden in de zuiverheid, de schoonheid, de reinheid van de schepping. Filius spreekt wel over het kruis, maar op een manier waaruit blijkt dat het kruis vooral een terugkerende confrontatie met zijn zonden is geweest. Nu hij de schoonheid van de schepping leert kennen, kijkt hij met nieuwe ogen naar het leven. De druk van de zonde raakt op de achtergrond en de schoonheid van het bestaan krijgt ruimte.
Ik heb regelmatig mijn wenkbrauwen opgetrokken bij de keuzes die Filius maakte, vaak op basis van zijn aardse verlangens. Onterecht eigenlijk, want als ik erover nadenk herken ik me maar al te goed in de zijwegen die Filius soms opzoekt. Ook ik heb het kruis nodig om iedere dag opnieuw te kunnen beginnen en de schoonheid van het leven tot me door te laten dringen.
Het einddoel
Zijn einddoel, Rome, komt in zicht. Dat doel heeft hij niet uit het oog verloren, ondanks de vele zijpaadjes die hij heeft genomen. Filius is geen ‘heilige’ geweest tijdens zijn reis, de verleidingen van de wereld hebben hem behoorlijk op de proef gesteld en hij heeft deze niet altijd kunnen weerstaan. De zoektocht naar een leven van reinheid is begonnen in het klooster en eindigt in Rome. Het einddoel is behaald. ‘Gefeliciteerd!’ zou je bijna zeggen. Maar de rijkheid van deze reis zit hem niet zozeer in het halen van het einddoel, maar in alles wat Filius tijdens deze tocht heeft meegemaakt. De eerste stap buiten de deuren van het klooster heeft zijn hele leven in beweging gezet.
Q
DENKBODEM
1. Welke levensvragen heb jij? Waar moet jij naar op zoek? En wat is de eerste stap die jou helpt om je leven in beweging te brengen?
2. Afstand nemen van het bekende, heb jij dat wel eens gedaan? Kun je je nog herinneren hoe het voelde om in een compleet nieuwe wereld te stappen en het onbekende tegemoet te gaan?
3. Het einddoel van de reis is duidelijk. Maar de rijkheid zit vooral in de ervaring van de tocht zelf. Van welke levensfasen geniet jij in het leven? Welke momenten lijken niet in die rijkdom te passen? Hoe kijk je daar achteraf op terug?
4. Herken je het spanningsveld tussen ‘het leven zelf ervaren’ en het bestuderen van het leven in je afstandelijke ‘studeerkamer’ om het theoretisch op een rijtje te krijgen? Hoe werkt dit bij jou in je leven met God? Heb je een voorbeeld uit je eigen leven?