Een Vreemdeling zonder thuis
E
en arme sloeber, die nog niet eens een munt uit eigen zak kon halen, maar moest vragen of anderen er eentje konden laten zien – maar die daarna een vis bevel gaf zodat die met belastinggeld boven water kwam (Matteüs 17:24-27). Een Vreemdeling die geen eigen bron van inkomsten heeft (vgl. 2 Korintiërs 8:9). Een Vreemdeling die het nodig heeft om gastvrij te worden opgenomen (Matteüs 25:35). Een Vreemdeling die niet vertrouwd is met de ins & outs van wat er gebeurt op de plek waar Hij verblijft (Lucas 24:18). Een Vreemdeling zonder vaste woon- of verblijfplaats, die zijn hoofd nergens te ruste kan leggen (Matteüs 8:20; Lucas 9:58). Dat was Jezus.
Herkenbaar, want dat beeld hebben wij ongeveer zó ingeprent gekregen. Maar waaróm is Hij zo? Wat betekent deze non-verbale taal? Is het bedoeling dat wij Hem zien als een Doler, zoals in Tolkiens trilogie van de Ring? Als een zwerver op ’s Heren wegen, zoals in de ‘Wanderlieder’ van de Romantiek? Als een zielige armoedzaaier?
De poëzie die Jeremia uit de mond van Jahweh doorgeeft in Jeremia 14 raakt de kern van wat er bedoeld kan zijn met dit beeld. ‘Waarom bent U als een vreemdeling in dit land?’ is de vraag die daar gesteld wordt. ‘Waarom bent U als een reiziger die maar één nacht blijft?’ Want zó willen wij Jahweh toch niet zien, zegt de dichter: ‘U bent toch in ons midden, HEER, wij behoren U toch toe? Laat ons niet in de steek!’ (vers 8,9).