I
n 1678 publiceerde John Bunyan zijn allegorie
The Pilgrim’s Progress (‘De Vorderingen van een Pelgrim’), geschreven tijdens zijn verblijf in de gevangenis. De hoofdpersoon Christian laat terneergeslagen en depressief vrouw en kinderen achter, ontvlucht in lompen gekleed met een zondepak op zijn rug het naderend oordeel over de
City of Destruction (‘Stad Verderf’). Hij bereikt via een nauwe poort en langs het kruis, niet over een gladde sintelbaan maar
cross-country, veilig de hemelstad.
Bunyan schetste in deze reisgids op grond van zijn eigen ervaringen spiritualiteit en groei in het geloof. Toerusting ontbrak echter niet: hij wilde de leden van de gemeente te Bedford, die zich hadden afgescheiden van de anglicaanse staatskerk en vanwege vervolgingen dreigden af te haken, bemoedigen met de boodschap: ‘Volhard, want al Gods kinderen komen thuis.’
Het boek werd in 1682 vertaald in het Nederlands als eerste van meer dan 200 talen. De meeste Nederlandse vertalingen hebben als titel
De Christenreis naar de eeuwigheid.
In 1684, toen Bunyan niet langer gevangenzat, maar als voorganger pastorale zorg uitoefende over zijn groeiende gemeente, verscheen als vervolg
The Pilgrim’s Progress,
The Second Part. Nederlandse vertalingen daarvan, verschenen sinds 1723, hebben doorgaans als titel
De Christinnereis naar de eeuwigheid.
Waarom schreef Bunyan een vervolg op
The Pilgrim’s Progress? Veel lezers van het eerste deel – in 1683 lag de 9e druk al in de boekwinkels – waren nieuwsgierig hoe het was afgelopen met de in Stad Verderf achtergebleven vrouw en kinderen van Christen.