I
n Exodus kreeg Mozes de opdracht van God, Jahweh, om de Israëlieten te leiden uit Egypte. Het volk werd onderdrukt en klaagde. God hoorde hun geweeklaag, dacht aan zijn oude belofte aan Abraham, het beloofde land, en schakelde Mozes in. Nu weet ik niet waarom God Abraham een land beloofde. Met een snelle blik in Genesis kom ik niet verder. Ik wil God graag begrijpen. Het zal niet zo zijn geweest dat de Israëlieten ‘beter’ waren dan een ander volk. Maar mogelijk heeft God de Israëlieten een belofte gedaan omdat zij in God geloven. En toch hebben ook zij voortdurend wonderen nodig om het geloof niet kwijt te raken en ze moeten het toch ooit door iets gekregen hebben? Ik kan verder door de Israëlieten niet te zien als een etnische eenheid. Wij zijn met z’n allen op weg.
Mozes is in eerste instantie onwillig maar God geeft hem een paar trucjes, wat beloften en Mozes is overstag. Hij gaat naar de eveneens onwillige farao van Egypte en vraagt hem om de Israëlieten voor drie dagen vrij te laten. Pas na tien straffen van Jahweh laat de farao het volk gaan. Ook de onwilligheid van de farao hoorde bij het plan van God. Des te groter zal het ontzag voor Hem zijn.
Waarom wil God zoveel ontzag, zoveel eerbied? Dat is in mijn ogen een nogal menselijke trek van waaruit zelfs oorlogen kunnen ontstaan. En wil God gevolgd worden uit angst of uit vertrouwen? De straffen creëren angst, de wonderen vertrouwen. Hebben wij om het goede te kunnen doen angst nodig voor het kwade? Wij moeten de toorn van God vrezen zodat wij niet zullen zondigen.