G
isteravond keek ik naar het NOS-journaal. Marga van Praag loopt door een glazen deur, ze let niet op wie er achter haar ook naar binnen wil en laat de deur achteloos dichtvallen voor een ander. Het dient als voorbeeld voor botheid. Het ene voorbeeld na het andere passeert de revue. Mensen niet laten uitstappen bij bus en trein, voordringen bij de kassa, luid kwetteren in je mobieltje zonder te denken aan je medepassagiers in de bus, met je rugzak in iemands gezicht slaan bij opstaan, en zelfs geen excuus. Asociaal gedrag, hufterigheid.
Politici komen in het geweer tegen deze sfeer van geweld en doe-maar. Wat dieper daaronder ligt, is het verschijnsel dat wij leven in een genadeloze maatschappij. Wat ontbreekt aan de basis is iets heel teers en iets heel kostbaars: dat het mooiste op aarde niet ligt in het juridisch verplichte, in dat wat moet, maar in dat wat niet hoeft. Er is geen plicht om de deur open te houden voor iemand die achter je de winkel in wil, er is geen plicht om een oudere mevrouw te helpen overst eken, er is geen plicht om je gsm uit te zetten in een omgeving waar die stoort. Maar wat wordt het leven mooi als je het toch doet. Het krijgt een aroma, een extraatje een bijzondere kleur.
De tweede en diepste betekenis van het woord genade vereist enige uitleg. De Engelse taal heeft twee woorden voor genade: mercy en grace. Het verschil is: mercy is dat je níét krijgt wat je wél hebt verdiend - denk aan de moordenaar op het kruis die vrijspraak kreeg – terwijl grace is dat je wél krijgt wat je níét hebt verdiend.