E
en van de opmerkelijkste rooms-katholieke leringen is die van de ‘transssubstantiatie’. Dat woord betekent letterlijk ‘verandering van substantie’. Die ‘substantie’ is het brood en de wijn van de eucharistie (wat protestanten het avondmaal noemen). Orthodoxe katholieken geloven dat op het moment van de consecratie (‘wijding’) van brood en wijn deze veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Natuurlijk moesten de theologen aan het volk uitleggen waarom je, als dat zo was, daar aan de buitenkant dan niets van kon zien. Dat legden ze uit aan de hand van de wijsheid van Aristoteles. Bij alle stoffen maakte deze Griekse filosoof onderscheid tussen de
substantie (het eigenlijke wezenlijke van een bepaalde stof) en de
accidentia (de uitwendige veranderlijke eigenschappen van die stof). Welnu, zeiden de katholieken, bij de consecratie verandert de
substantie van brood en wijn in de
substantie van het lichaam en het bloed van Christus, terwijl de
accidentia van brood en wijn hetzelfde blijven. Heel slim bedacht. Maar of het ook waar is...?
Als het om de bekering van een mens gaat, hoeft in elk geval niemand ons wijs te maken dat de
substantie van die persoon essentieel veranderd is, terwijl de
accidentia, de uitwendige eigenschappen, zogenaamd helemaal hetzelfde zouden zijn gebleven! Als wij geen uiterlijke veranderingen aan een persoon opmerken, zijn we ook niet bereid te geloven dat zo iemand van binnen radicaal veranderd is.