V
erheugd begin ik de brief aan Filémon te lezen. Verheugd omdat de brief heel kort is. Ik denk dat daarmee de tijdnood waarin ik verkeer minder is, maar of dat ook zo is zal nog moeten blijken. Ik ben in conflict met de tijd, wie niet?
Paulus pleit in de brief voor een ontsnapte slaaf, tevens dief. Hij vraagt aan de ‘eigenaar’ of hij de slaaf wil ontvangen als een geliefde broeder, niet als een slaaf. En schade of schulden kan de eigenaar declareren bij Paulus, althans, de eigenaar staat eigenlijk in de schuld bij Paulus. Paulus geeft er een flinke draai aan; hij doet ineens een beroep op het schuldgevoel en het geloof van de eigenaar. De brief prikt in het geweten, het geloof. Voor de een zal het geprik aanvoelen als gekriebel, de ander voelt een angel steken. Pas op voor de angel: het is een spiegel.
‘Uw goedheid moet zich spontaan kunnen uiten,’ schrijft Paulus. Maar welke uiting is er na deze tekst nog spontaan? Paulus gooit volgens mij zijn eigen glazen in. Ik zou de brief irritant gevonden hebben, want in hoeverre heb ik na die opmerking nog de kans om zelf op het idee te komen een bepaalde goedheid te uiten? Het zou dan niet uit mijn hart komen maar uit een brief. Mogelijk is het hier zaak om trots, principes en dat soort zelfgevoelens opzij te zetten en doet de bron van de goedheid, het hart of een brief, er eigenlijk niet toe. Spiegeltje, spiegeltje aan de wand?
Hoewel de slavernij er niet door is afgeschaft, wordt het wel duidelijk dat gelijkheid en vergeving in het woordenboek van een christen horen voor te komen.